Twee wilgen,
stevig geworteld in de aarde, 80 seizoenen lang, geteisterd en gekoesterd door de tijd.
Door weer en wind gegroeid, takken weggesnoeid.
Geknot door het leven, toch weer opgegaan ja, doorgegaan.
Gevoed door liefde, die grond door God gegeven, ontvangen door kracht van omhoog.
Hun kracht en liefde vermenigvuldigt, ja weerspiegelt in waterrijk gebied.
Twee mensen, omringt door mensen, zoals dijken om de zee.
Beschermd door de vleugels van de Hemel.